//
you're reading...
programmatoelichtingen

Schumann – Ravel – Milhaud

flyer juni 2013Pulcinella was voor mij de ontdekking van het verleden, de epifanie waardoor mijn latere werk mogelijk werd. Het was natuurlijk een blik naar achteren – de eerste van vele liedesaffaires in die richting, maar het was tevens een blik in de spiegel.

Igor Stravinsky

Drie locaties: Frankrijk, Brazilië en Duitsland. En drie perioden: de barok, de romantiek en de periode rond de Eerste Wereldoorlog. Ze komen samen in het Parijs van 1920, nu bijna honderd jaar geleden. We maken vanavond een wereldreis met onze oren en laten ons meenemen in de verbeelding. Of we blijven waar we zijn en verwonderen ons over de afstand die de tijd heeft doen ontstaan. Beiden kunnen inspirerend blijken.

Parijs 1920
In hetzelfde jaar dat Stravinsky’s ballet Pulcinella, waar het kamerorkest zich naar vernoemd heeft, in première gaat, vindt de première plaats van Le Boeuf sur le toit van Milhaud en een week later de eerste uitvoering van de orkestversie van Le Tombeau de Couperin van Ravel. Eveneens in dat jaar schrijft Milhaud een concertrecensie van de Derde symfonie van Schumann, die door de dirigent Rhené-Baton op het programma is gezet. De Eerste Wereldoorlog — la Grande Guerre — is voorbij en het Verdrag van Versailles treedt in werking. Het muziekleven komt weer op gang, maar anders dan voor de oorlog het geval was.

Zowel voor Ravel als voor Milhaud is die oorlog van grote betekenis. Ravel wordt in eerste instantie afgewezen voor vrijwillige militaire dienst wegens ondergewicht. Maar na veel aandringen en gebruik makend van contacten, weet hij later toch als vrachtwagenchauffeur in militaire dienst te treden en wordt hij in maart 1916 naar Lotharingen gestuurd, waar de Slag om Verdun woedt. Met zijn gezondheid gaat het slecht. Wegens ziekte wordt hij in juni 1917 definitief ontslagen.
In de zomer van 1914 is Ravel begonnen aan een Franse suite voor piano, maar door het uitbreken van de oorlog komt het werk hieraan stil te liggen. Vanaf zijn ontslag logeert hij bij vrienden en pakt hij het werk aan de suite weer op. Een halfjaar later, in november 1917, is de suite voltooid. Vrienden en kennissen die tijdens hun strijd voor het vaderland zijn gevallen, eert hij door de zes afzonderlijke delen aan elk van hen op te dragen. In mei 1918 wordt het werk gepubliceerd onder de titel Le Tombeau de Couperin. Het duurt nog tot april 1919 voor het in première gaat. Het wordt uitgevoerd door pianiste Marquerite Long, weduwe van één van de gevallen soldaten aan wie het werk is opgedragen.

Op een geheel andere manier speelt de oorlog een rol bij Le Boeuf sur le toit van Milhaud. Ook Milhaud wordt om gezondheidsredenen afgewezen voor militaire dienst. Maar hij is niet zo vastbesloten de oorlog in te gaan als Ravel. Hij gaat werken bij de Foyer Franco-Belge die opvang regelt voor vluchtelingen uit Noord-Frankrijk en België. Eind 1916 wordt Paul Claudel, schrijver en diplomaat, benoemd tot gevolmachtigd minister van Frankrijk in Brazilië. Claudel vraagt de jonge componist, die al enkele teksten van hem heeft getoonzet, om als secretaris met hem mee te gaan. Eind december vertrekken ze uit Parijs en arriveren in februari 1917 tijdens het carnaval van Rio de Janeiro. Wanneer Milhaud in het voorjaar van 1919 terugkeert naar Parijs is hij blij weer thuis te zijn, maar zijn blijdschap wordt vermengd met een zekere heimwee naar Brazilië. Ter herinnering aan de Braziliaanse ritmes componeert hij Le Boeuf sur le toit, oftewel De os op het dak. De titel ontleent hij aan dé carnavalshit van 1918: O Boi no Telhado. Milhaud had voor deze compositie de begeleiding van een stomme film van Charlie Chaplin in gedachten, een ‘Cinema-symfonie’. Zijn vriend, de dichter-kunstenaar Jean Cocteau, keurt dat idee echter af en stelt voor er een pantomime-ballet van te maken. Cocteau had samen met de componist Satie, de schilder Picasso, de dichter Apollinaire en Diaghilev, leider van de ‘Ballets Russes’, gewerkt aan het avant-garde ballet Parade dat in 1917 werd uitgevoerd. Dat bracht hem op een ander idee: een middeleeuwse klucht met maskers, mannen in vrouwenrollen, pantomime en dans. De muziek van Milhaud past precies in dit plan. Milhaud ziet dit voorstel van Cocteau wel zitten, en zo geschiede. In samenwerking met de clowns, de gebroeders Fratellini, en de schilder Raoul Dufy die het decor ontwerpt, ontstaat het pantomine-ballet Le Boeuf sur le toit ou The Nothing-happens Bar dat zich afspeelt in een Amerikaanse bar tijdens de drooglegging in 1920.

De samenwerking aan de balletvoorstelling stond niet op zichzelf. In januari 1920 ontstaat Le Groupe des Six (bestaande uit de componisten Milhaud, Honegger, Poulenc, Auric, Durey en Tailleferre) met Jean Cocteau als zelfbenoemd leider. En hoewel ze later allen de grootsheid van Ravel zullen erkennen, keren ze zich op dat moment tegen hem, omdat hij te conservatief zou zijn. Die kritiek treft dus ook Le Tombeau de Couperin. Behalve kritiek van deze nieuwe generatie componisten en kunstenaars, krijgt Ravel met Le Tombeau de Couperin ook van een andere kant kritiek. Zijn werk is namelijk, in tegenstelling tot wat de titel en de opdrachten mogelijk doen vermoeden, niet zwaarmoedig en heeft geenszins het karakter van een monument voor de doden. Dat stoot mensen tegen de borst. De orkestversie voltooit Ravel in juni 1919. De namen van zijn vrienden worden, mogelijk vanwege de kritiek, niet meer in de partituur vermeld. Op 28 februari 1920 vindt de première van de orkestversie plaats door het Concerts Pasdeloup onder leiding van Rhené-Baton.

Rondeau
Le Tombeau de Couperin is niet alleen een eerbetoon aan de muziek van François Couperin (1668-1733), zoals Ravel in zijn dagboek schrijft, maar aan de gehele Franse barok. Ravel componeert geen ‘remake’, maar integreert dat wat hem inspireert in zijn eigen muziek. Ook Stravinsky kijkt met zijn Pulcinella terug naar de barok. Op aandringen van Diaghilev gaat Stravinsky mee naar Rome om kennis te maken met de Commedia dell’arte en de muziek van de Italiaanse componist Pergolesi (1710-1736) en diens tijdgenoten. Daar ontdekt Stravinsky, zoals hij zegt, het verleden.

Le Tombeau de Couperin is een suite, op de manier zoals ze ten tijde van Couperin vanuit Frankrijk bekend is geworden. Een compositievorm die begint met een voorspel – een prélude – gevolgd (suite) door verschillende dansvormen. Elke dans heeft zijn eigen karakter, zijn eigen danspassen en zijn eigen expressie, met elk hun eigen verfijnde smaaknuance. Het menuet (Franse dans in driekwarts maat) en de rigaudon (een levendige Provençaalse dans) hebben in Ravels suite een eenvoudige driedelige vorm, waarbij het menuet als trio een musette (een dans met oorspronkelijk een doedelzak als begeleiding) heeft. De forlane (een Venetiaanse dans) is in de vorm van een rondeau (het openingsdeel keert na elk nieuw gedeelte terug). Ravel benadrukt dat alle herhalingen gespeeld dienen te worden.

Ook Milhaud haalt zijn inspiratie voor Le Boeuf sur le toit uit de dans, maar dan uit het actuele dansen om hem heen. Milhaud werd verliefd op de Braziliaanse populaire muziek. Le Boeuf is voor hem een souvenir van Braziliaanse ritmes, een collage van populaire liedjes, tango’s, maxixe’s (een Braziliaanse dans), samba’s en zelfs van een Portugese fado waarvan hij tijdens zijn verblijf in Brazilië de bladmuziek had aangeschaft. Deze werken worden afgewisseld met een eigen gecomponeerd, steeds terugkerend thema, als een rondeau. Een rondeau met 15 coupletten.

Frankrijk – Duitsland?
Door de oorlog waarbij Frankrijk en Duitsland politiek tegenover elkaar kwamen te staan, waren de uitgaven van de grote Duitse muziekuitgevers in Frankrijk niet meer leverbaar. De uitgever Jacques Durand ging daarop zelf nieuwe edities verzorgen. Als redacteuren vroeg hij onder andere Debussy voor Chopin en Ravel voor de pianowerken van Mendelssohn. Ook de uitwisseling van muziek en kennis tussen de hedendaagse componisten uit de verschillende landen was door de oorlog verbroken. Pas in 1921 bijvoorbeeld slaagt Milhaud erin Pierrot Lunaire (1912) van Schönberg in Parijs uit te voeren. Van Frankrijk versus Duitsland was op muzikaal gebied zeker geen sprake. Toch kan de overgang van Ravel en Milhaud naar Schumann, van Frankrijk rond de periode van de Eerste Wereldoorlog naar Duitsland 70 jaar eerder, enige inspanning vragen van de luisteraar.

Schumann schreef zijn Derde symfonie in het najaar van 1850, twee maanden na zijn aankomst in Düsseldorf. Hij aanvaardde zijn baan als stedelijke muziekdirecteur om het conservatieve publiek in Dresden te kunnen ontvluchten. Hij werd er warm ontvangen. Zijn symfonie zou zo sterk getuigen van de ‘Rijnse’ vrolijkheid van zijn nieuwe thuis, dat ze de bijnaam ‘Rheinische’ kreeg. Hoe vrolijk zijn muziek ook mocht klinken, het zou slecht met Schumann aflopen. Hij was niet geschikt voor de baan en werd ontslagen. Op carnavalsmaandag 1854 sprong hij de Rijn in. Hij werd opgevist en opgenomen in een privékliniek in Bonn, waar hij twee jaar later overleed.

Uiteraard kenden Ravel en Milhaud de muziek van Schumann. Schumann was regelmatig te horen in de Parijse concertzalen. Ravel had als student pianomuziek van Schumann gespeeld en orkestreerde in 1914 Schumanns Carnaval voor het balletgezelschap van de Vaslav Nijinsky, maar hij heeft gemengde gevoelens bij Schumann. Hij bewondert het wereldlijke oratorium Das Paradies und die Peri (1843), maar geeft meestal de voorkeur aan Mendelssohn. Ook Milhaud heeft een voorkeur voor Mendelssohn boven Schumann. In zijn muziekrecensie voor Le Courrier Musical schrijft hij dat hij niet behoort tot de bewonderaars die steeds opnieuw naar Schumann komen luisteren – de Derde symfonie van Schumann is in november 1920 in één week tijd zelfs driemaal te horen – en betreurt het dat Mendelssohn zo weinig te horen is.

Maar Parijs 1920 is verdwenen. Grote veranderingen hebben plaatsgemaakt voor nieuwe ideeën, andere situaties. Vanavond luisteren wij vanaf een afstand. De verhoudingen in de tijd zijn anders komen te liggen. De Eerste Wereldoorlog is nu bijna honderd jaar geleden, terwijl voor Ravel en Milhaud Schumanns symfonie, met een afstand van zeventig jaar, dichter bij lag. Kan het verleden, zoals Stravinsky schrijft, voor ons een spiegel zijn waarmee we een blik op onszelf kunnen werpen? En wat zien we dan?

___________________________________________

Robert Schumann (1810-1856)
Symfonie nr. 3 in Es-gr. op. 97 (1850)
1) Lebhaft
2) Scherzo. Sehr mässig
3) Nicht schnell
4) Feierlich
5) Lebhaft

Maurice Ravel (1875-1937)
Le Tombeau de Couperin (1917, ork. 1919)
I Prélude
II Forlane
III Menuet
IV Rigaudon

Darius Milhaud (1892-1974)
Le Boeuf sur le toit, op. 58 (1919)

Advertenties

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Advertenties