//
you're reading...
luisterend naar ...

“in de muziek zijn” – een werktekst naar aanleiding van ‘La nausée’. 1.

In de roman Walging (La nausée, 1938) beschrijft Jean-Paul Sartre op een treffende manier wat luisteren is. De plaat is afgelopen en er is iets gebeurd. Wat dat ‘iets’ ook precies moge zijn, het gebeurt wanneer de muziek klinkt, wanneer de muziek de ruimte vult en alles doordringt. Het gebeurt wanneer je je in ‘deze bel van helderheid, geheel doorgonsd van muziek’ bevindt, wanneer je ‘in de muziek’ bent.

Aan het eind van de roman haalt Roquentin, de hoofdpersonage, fel uit tegen een algemeen heersende gedachte die hij steeds weer in verhalen van mensen tegenkomt. Hij schrijft:

“Stel je voor, dat er stommeriken zijn om troost te putten uit de Schone Kunsten. Zoals mijn tante Bigeois: ‘De Préludes van Chopin hebben mij zoveel steun gegeven bij de dood van je beste oom.’ En de concertzalen zijn stampvol vernederden, beledigden, die met gesloten ogen hun bleke gezichten trachten te veranderen in ontvangsttoestellen. Zij verbeelden zich, dat de klanken die ze opvangen in hen stromen, heerlijk en krachtgevend en dat hun lijden muziek wordt, evenals dat van de jonge Werther; ze denken dat de schoonheid medelijden met hen heeft. De sufferds.” (p. 187)

Hoe luisteren we naar muziek? En waarom? Gaan we ons daadwerkelijk ‘veranderen in ontvangsttoestellen’ om zo de klanken op te vangen? Is dat wat luisteren naar muziek inhoudt? Nee. Treffend vind ik niet alleen Sartres beschrijving, maar ook zijn vraag die tot die beschrijving leidt: “Wat is er gebeurd?”

De roman is als dagboek geschreven. Het is het dagboek uit 1932 van Antoine Roquentin, 30 jaar oud, historicus. Drie jaar geleden is hij naar Bouville gekomen voor zijn onderzoek naar het leven van markies de Rollebon. Roquentin begint echter een walging te krijgen die hij niet zo goed kan plaatsen. Hij gaat daarom een dagboek bijhouden ‘om de zaken helder te kunnen zien’ (p.9) “Er is mij iets overkomen, ik kan er niet meer aan twijfelen. […] In mijn handen, bijvoorbeeld is iets nieuws, een bepaalde manier om mijn pijp of mijn vork aan te vatten. Of het is de vork, die nu een bepaalde manier heeft, om zich te laten aanvatten, ik weet het niet.” (p. 13) Het zijn veranderingen die hij ondergaat, beter gezegd, die hij opmerkt. Zo schrijft hij: “Ik moet vaststellen hoe ik deze tafel, de straat, de mensen, mijn pakje tabak zie, want zij zijn het, die veranderen.” (p. 9)

De dagen van Roquentin bestaan voornamelijk uit het raadplegen van de archieven en schrijven aan zijn boek in de Stedelijke Bibliotheek, af en toe een praatje maken met een andere vaste bezoeker van de bibliotheek en op zondag een wandeling over de boulevard. Zijn maaltijden gebruikt hij in café’s. In deze café’s hoort Roquentin af en toe muziek en vinden de momenten plaats waar Sartre op treffende wijze het luisteren van zijn personage weet te beschrijven.

Roquentin zit in zijn gebruikelijke café Rendez-vous des Cheminots en vraagt aan de dienster, Madeleine, een plaat te draaien. “Je weet wel wat ik graag hoor: Some of these days.” (p. 29)

Some of these days (1910) van Shelton Brooks komt van oorsprong uit de Vaudeville, werd zeer bekend en is door vele artiesten op plaat gezet.
Klik hier om een opname te beluisteren van Some of these days. De beschrijving wijst niet eenduidig op een opname, maar algemeen wordt aangenomen dat Sartre de opname van Sophy Tucker gebruikt heeft met Ted Lewis en zijn orkest uit 1923. De platen waar Roquentin naar luistert zijn wel al dubbelzijdig, maar hebben nog een maximum lengte van vier minuten en dus slechts één nummer per kant.
Klik hier om de betreffende romanpassage te lezen. 

Wat gebeurt er? In de romanpassage die volgt, geeft Sartre eigenlijk twee met elkaar vermengde beschrijvingen van de gebeurtenissen wanneer Some of these days klinkt.

“Op het ogenblik is het jazz-muziek; er is geen melodie, het zijn amper noten, talloze kleine schokjes. Zij kennen geen rust, een onverbiddelijk bevel roept ze in het leven en vernielt ze, zonder ze ooit de gelegenheid te geven tot zichzelf te komen en voor zich te bestaan.” (p. 30)

In deze eerste beschrijving worden woorden gebruikt als ‘noodzakelijkheid’, ‘gebeurtenis’, ‘voorbereiding’. Sartre beschrijft hier vrij nauwkeurig de wijze waarop de muziek verloopt. Verderop in de roman zal een nog uitgebreidere beschrijving volgen. Maar hij verbindt er geen betekenis aan, geen beeldende inhoud. De beschrijving zou over elke muziek kunnen gaan, maar past, ook door de invoeging van flarden songtekst, slechts op deze ene fictieve opname op grammofoonplaat. Bij de tweede beschrijving, die zich hier doorheen mengt, vallen woorden op als ‘hardheid’ tegenover ‘weekheid’, ‘vorm’ en ‘verdichting’ tegenover ‘uiteenzetting’, ‘geluk’ tegenover ‘walging’. De plaat is afgelopen en Roquentin verwondert zich over wat er in de tijd dat de muziek geklonken heeft, is gebeurd:

“Het laatste akkoord is verstorven. In de korte stilte, die volgt, voel ik sterk, dat het er is, dat er iets is gebeurd.
Stilte.

Some of these days
You’ll miss me honey

De Walging is verdwenen – dat is gebeurd. Toen de stem zich verheven had, in de stilte, heb ik gevoeld, dat mijn lichaam zich verhardde en dat de Walging bezweken was. Ineens: het was bijna pijnlijk zo geheel hard te worden, geheel helrood. Tegelijkertijd zette de duur van de muziek zich uit, zwelde aan als een waterhoos. Zij vulde de zaal met haar metalige doorschijnendheid, terwijl zij tegen de wanden onze ellendige tijd verpletterde. Ik ben in de muziek.” (p. 31)

Roquentin is zowel gelukkig als ontroerd. “Ik ben ontroerd, ik voel mijn lichaam als een precisie-horloge dat stil staat.” Voordat hij in Bouville kwam had hij al vele reizen en avonturen meegemaakt. “En nooit heb ik kunnen terugkeren, zomin als een grammofoonplaat tegen de draad in kan draaien. En waarheen leidde mij dit alles? Naar deze minuut, deze bank in deze bel van helderheid, geheel doorgonsd van muziek.”

Deze tweede beschrijving trof me. Sartre beschrijft een radicaal andere wereld. Hij heeft het over ‘in de muziek zijn’, de cursivering is van hem. In-de-muziek-zijn is niet zozeer een actieve houding aannemen ten aanzien van de muziek die klinkt, nee: “de muziek doordringt deze vage vormen en gaat er doorheen.” Je bevindt je in de ruimte waarin de muziek klinkt, binnen de muren waar de muziek hoorbaar is, en los van of je er wel of geen aandacht voor hebt, word je door de muziek beïnvloed. Roquentin merkt de verandering op. Hij is er gevoelig voor, zoals ook al in het begin duidelijk werd bij de beschrijving van zijn handen en de vork. Het was ook juist de bedoeling van dit dagboek om deze gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven. Tijdens dit in-de-muziek-zijn heeft er zich een verandering voltrokken van de wereld om hem heen, zo merkt  Roquentin op. Deze veranderingen gebeuren alleen zolang als dat de muziek klinkt, alsof je een drempel over stapt en er weer uitgegooid wordt wanneer de muziek stopt. Toch is het niet onafhankelijk van welke muziek er klinkt. Dit geluk, of deze troost, treedt hier voor Roquentin alleen op bij Some of these days, weet hij uit ervaring. Precies zoals dat geldt voor tante Bigeois bij de preludes van Chopin bij de dood van haar man en voor Werther wanneer Lotte de eenvoudige melodie voor hem speelde.
Dit in-de-muziek-zijn is echter niet zozeer een luisterhouding. Het is niet noodzakelijk om actief, dat wil zeggen aandachtig te luisteren. Wat Sartre hier opmerkt is een luisteren dat nog niet eens luisteren is. Wat er gebeurt moet daardoor veel breder getrokken worden dan de beschrijving die je vaak aantreft, namelijk getroost te worden door de schoonheid, door het sublieme. Want wat gebeurt er waardoor je ook gaat opmerken dat je je na afloop getroost voelt?
Ik ken de ervaring niet die Roquentin beschrijft waarin weekheid naar hardheid verandert, of vormeloosheid die vorm krijgt. Ik herken mijzelf ook niet zo in de ervaring van walging. Maar dat de wereld om me heen verandert wanneer muziek klinkt, herken ik. Dat is wat er gebeurt, daarna gaan je er verhalen van vertellen en al snel de mist in. Het vraagt grote opmerkzaamheid om deze veranderingen precies te benoemen. Maar wanneer je zo’n oplettendheid ontwikkelt, kun je met je beschrijving van muziek veel dichter de indrukwekkende beleving benaderen die mensen met muziek kunnen ondergaan.

Jean-Paul Sartre
Walging
Utrecht: A.W. Bruna & zoon, 1962. Zwarte beertjes 434.
Originele titel: La nausée. Paris: Gallimard, 1938.
Vertaling: H.P. Van de Aardweg.
Omslag: Dick Bruna.

Advertenties

Reacties

Een gedachte over ““in de muziek zijn” – een werktekst naar aanleiding van ‘La nausée’. 1.

  1. Grappig dat je als musicoloog met Sartre bezig bent. Je hebt het wel heel mooi beschreven. Ik snap het ook wel ongeveer.

    Geplaatst door cobywijnen | 13 december 2011, 19:04

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Advertenties