//
you're reading...
programmatoelichtingen

Haydn – Sjostakovitsj – Oberstadt

Het is niet altijd eenvoudig een programmatoelichting te schrijven. Soms is er weinig over een werk bekend. Soms bestaat er een hele verwoordingsgeschiedenis, maar met dubbelzinnige of zelfs tegenstrijdige gegevens. Daarbij komt dat muziek niet te beschrijven is, zij alleen te beluisteren is. Nu is het wel mogelijk om dit luisteren te sturen, de aandacht te vestigen op bepaalde momenten, karakteristieken in de muziek. Maar dit is toch altijd een neerslag van een bepaalde interpretatie, een interpretatie die tijd, plaats en persoonsgebonden is en uiteindelijk volledig los blijkt te staan van de muziek zelf (later in de tekst zal dit duidelijker worden).

Vanavond zal er een première plaatsvinden, maar niet van een werk dat vers van de hand van zijn componist komt. Geen première van een werk dat nu, in deze tijd uit hedendaagse muzikale ideeën gevormd, gecomponeerd is. Nee, er zal een première plaatsvinden van een man die al 66 jaar dood is, waarvan de compositiedatum (die niet bekend is) tot 100 jaar terug kan liggen. Dit doet echter niets af aan het feit dat dit een allereerste kennismaking met het werk is, wat iets weg heeft van een avontuur, omdat het onbekend is. Omdat het nog onbepaald, of liever gezegd wéér onbepaald is hoe deze compositie ontvangen gaat worden. Eigenlijk is dat wat er steeds opnieuw in de muziekgeschiedenis gebeurt: werken beleven een première, worden in het gevestigde concertrepertoire opgenomen, verdwijnen er weer van, hebben nog geen kans gehad, of worden na korte of lange tijd opnieuw in het repertoire opgenomen.

Er is op dit moment weinig bekend over Carl Oberstadt. Hij is de oudste zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder, geboren in 1871 in Tilburg en overleden in Den Haag in 1940. Hij heeft pianoles en muziektheorie gegeven aan het Conservatorium in Den Haag en componeerde daarnaast. Eénmaal wordt hij genoemd in Een eeuw Nederlandse muziek (1815-1915) van Eduard Reeser (maar niet in het vervolg hierop van Leo Samama) in een lijst van componisten waarvan tijdens de Nederlandse muziekfeesten in Amsterdam werk is uitgevoerd. Reeser schrijft hierover:

Ook voor de Nederlandse muziek heeft hij (Mengelberg, chefdirigent van het Concertgebouworkest) zich vooral in de eerste periode van zijn loopbaan veel moeite gegeven, al beperkte hij zich in de meeste gevallen tot eerste uitvoeringen (…) de wijze waarop de Nederlandse muziek op de programma’s werd ondergebracht, had vaak het  karakter van een ‘afdoener’, en het was niet te verwonderen dat het publiek daardoor reeds van tevoren sceptisch tegenover produkten van eigen bodem kwam te staan. Vooral de zogeheten ‘Nederlandse avonden’ zijn in dit opzicht bepaald uit den boze geweest, en dit geldt a fortiori voor de Nederlandse muziekfeesten, die in 1902 en 1912 ondanks alle enthousiasme en idealisme waarmee zij zijn opgezet, toch nauwelijks enige weerklank hebben gevonden.

Dat er nog zo weinig over Oberstadt bekend is, is dus niet zo verwonderlijk. In de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag zijn elf tijdens zijn leven gepubliceerde composities van Oberstadt aanwezig. Twee meter aan (muziek)manuscripten en documentatie wordt in het archief van het Nederlands Muziek Instituut bewaard. Hier komt ook Dolce far Niente (letterlijk: zalig nietsdoen) vandaan. Op de partituur staat geen compositiedatum genoteerd. Hij heeft het deze titel meegegeven, maar het is niet bekend of hij daarbij het gedicht met de gelijknamige titel van de destijds bekende Nederlandse dichter P.A. de Génestet (1829-1861) in gedachten had (zie elders in het programmaboekje). Twee tijdgenoten van Oberstadt hebben dit gedicht getoonzet. Mogelijk kende Oberstadt Dolce far Niente voor piano van Julius Röntgen uit 1909, of andersom.

In de Wiener Zeitung van 22 maart 1800 stond het volgende bericht:

Musikalische Akademie. Het is de ondergetekende toegestaan om op 28 maart een grote musikalische Akademie te geven in het keizerlijke koninklijke nationale Hof Theater. Zijn bedoeling bij deze gelegenheid is om de wereld voor de eerste keer, zo dat het kan worden beoordeeld, een organisierte Trompete te tonen welke hij heeft uitgevonden en ontwikkeld – na 7 jaren van harde en prijzige arbeid – tot wat hij gelooft als perfect zou kunnen worden beschreven: zij heeft verschillende kleppen en zal worden getoond in een door Herr Joseph Haydn, Doktor der Tonkunst, speciaal voor het instrument geschreven Concerto en daarna in een Aria van Herr Franz Xav. Süssmayer, Kapellmeister in dienst van het keizerlijke koninklijke Hof Theater; welk concert, Anton Weidinger, keizerlijk koninklijk hof en theater trompettist, de eer heeft hiermee aan te kondigen.

De “organisierte Trompete” waar Anton Weidinger (1767-1852) in deze concertaankondiging over schrijft is de in 1793 door hem ontwikkelde kleppentrompet. Bij dit concert, waar behalve de première van het trompetconcert van Joseph Haydn (1732-1809) ook enkele symfoniën van Haydn en aria’s van Mozart werden gespeeld, was echter niemand van het Weense publiek aanwezig. Na deze première verdween het concert voor ruim een eeuw uit de geschiedenis. In 1908 werd het concert, vergelijkbaar met Dolce far Niente, in de archieven gevonden en uitgevoerd door Franz Rossbach, solotrompettist van de Wiener Philharmoniker. In 1929 verscheen een eerste publicatie voor trompet en piano, twee jaar later gevolgd door een editie voor trompet en orkest. Op 23 juni 1938 werd het concert uitgezonden door de BBC, met als solist George Eskdale. Deze uitzending en de eerste plaatopname van dit werk een jaar later bleken een groot succes te zijn. Belangrijk zijn dan niet meer de nieuwe mogelijkheden van Weidingers kleppentrompet – die al snel concurrentie kreeg van de nu nog steeds gebruikte ventieltrompet – maar de hernieuwde aandacht voor dit werk vanwege de enthousiaste reacties van het publiek op de muziek zelf. Het is nog steeds een graag gespeeld en beluisterd werk.

De première van de zesde symfonie van Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) vond direct na voltooiing plaats op 5 november 1939 in Leningrad onder leiding van Jevgeni Mravinski. Het publiek was enthousiast. Critici echter vonden de nieuwe symfonie een “vreemde romp zonder hoofd“. In Moskou besloot men hierop een vergadering van sovjetcomponisten bijeen te roepen. Sjostakovitsj werd hiervan door Sjebalin, een bevriende componist telegrafisch op de hoogte gebracht. Hij antwoordde: “Je telegram heeft me veel verdriet gedaan. Want als er besloten is een “hoorzitting” te beleggen, is mijn werk al naar de bliksem”.
Omdat Sjostakovitsj in de tijd dat Jozef Stalin (1879-1953) aan de macht was als componist werkzaam bleef, was hij gebonden aan de politieke ideologie van Stalins communisme. Het communisme omvatte niet alleen het sociale leven, ook de kunst werd in dienst gesteld van de politiek. De cultuur moest in overeenstemming worden gebracht met de uitgangspunten van het socialistisch realisme. Deze staat vooral voor een eenvoudige algemeen toegankelijke muzikale taal, om eenvoudige en krachtige gevoelens in muziek uit te drukken. Sjostakovitsj werd echter in de Pravda van 28 januari 1936 beschuldigd van het schrijven van “ultralinkse chaos in plaats van natuurlijke, menselijke muziek”, “het grofste naturalisme” te brengen en voorbij te gaan “aan de behoefte van de sovjetcultuur om de grofheid en de woestheid uit alle hoeken van het sovjetbestaan te verjagen”. De componistenvergaderingen werden dan ook gebruikt om de componist weer “de goede weg op te helpen”.

Sjostakovitsj zou zijn zesde symfonie hebben omschreven met de woorden “Lente, vreugde, jeugd en lyriek”. Het tegenovergestelde zou minder verbazing wekken. De vraag is of dit niet vooral een politiek gewenste beschrijving is die niets van doen heeft met de muziek. Arnold Schönberg (1874-1952) schreef op 17 juli 1944 in een brief aan de New Yorkse recensent Kurt List:

I want to tell you that I was very pleased with the two articles by you, the one about me in Modern Music and the one about Shostakovich – though I still think Shostakovich is a great talent. It is perhaps not his fault that he has political allowed to influence his compositorial style, and even if it is a weakness in his character – he might be no hero, but a talented musician. In fact, there are heros, and they are composers. Heros can be no composers and vice versa, but you cannot require it.

De Amerikaanse première van de symfonie vond een jaar na de première in Leningrad plaats onder leiding van Leopold Stokowski op 29 november 1940. Stokowski: Op het eerste gehoor klinken deze wendingen vreemd, misschien zelfs onbegrijpelijk, alsof ze hun betekenis voor ons willen verbergen. Bij herhaaldelijk luisteren wordt echter alles duidelijk, krijgt alles een enorme diepte… (Sovetskaja muzyka 1941, nr. 5)

___________________________________

Carl D. Oberstadt (1871-1940)
Dolce far Niente
Première: 8 juni 2006, Utrecht Pulcinella kamerorkest o.l.v. Jussi Jaatinen

Joseph Haydn (1732-1809)
Concert voor trompet en orkest in Es-groot, H. VIIe: 1 (1796)
– Allegro
– Andante
– Allegro
Première: 28 maart 1800, Wenen. Trompet: Anton Weidinger

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Symfonie nr. 6 in b-klein, op. 54 (1939)
– Largo
– Allegro
– Presto
Première: 5 november 1939, Leningrad. Leningrads Filharmonisch Orkest o.l.v. Jevgeni Mravinski

Advertenties

Reacties

Nog geen reacties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: